RHAPSODY IN BLUE - short story

RHAPSODY IN BLUE


Een vrouw. Er is altijd een vrouw. De schim achter matglas.

Alsof ze wist dat hij zijn leven drastisch had omgegooid.


Alsof ze wist dat hij vanaf nu in zijn dual sim met kanariegele achterzijde een nieuw nummer had staan, waarmee hij zijn  allerlaatste vlam voortdurend zou bellen. Onherroepelijk zou ze in zijn kinetische valkuil trappen


Hij installeerde zijn smartphone behendig. Alsof hij het dagelijks onafgebroken voor klanten deed. Hij was echter schrijver. Hetgeen je hem nauwelijks zo zag doen. Hij schreef zo concludeerde ze boeken in zijn hoofd.


Plots verrast zag ze hem gefocust de camerafunctie met een bevestigende klik ontdekken. Blij toonde hij haar de super heldere foto's. Geweldig.


Ze nam de telefoon even van hem over. Zette zich schrap om een foto van 3 synchrone  venstervlakken te nemen met daarbij een vrijwel identiek vlak van de pui. Een vierling in helder blauw. Ze zou hem vragen om haar die ene foto te zenden die alles leek te belichamen.


Nou heb ik een smartphone zwijmelde hij. Het ontroerde haar omdat hij spontaan even echte emotie toonde. Over zoiets als een gebruiksvoorwerp.


Ze wist lang daarvoor al jouw mobiele toegang tot de verleidelijke wereld van het internet opent en baart een zee van mogelijkheden en laat je wegdrijven in die zee. De zee die ze samen op een gelukkige blinkende herfstdag, lang geleden leek het, net niet waren ingereden. Zo dichtbij ontvouwde het immense glanzend gesmede laken zich. Een huwelijk met licht en lucht.


De dag had hij haar een minuscuul schelpje overhandigd. Zijn lange lichaam steeds aandachtig gekromd stil zoekend naar die ene. Een microscopische jutter met macrobenen en armen die nu digitaal andere wonderlijke schelpen zocht.


Hij zou de nieuwe hoog opvlammende vlam zoals hij gewoon was belagen en met zijn vaak rauwe nietsontziende dan weer komisch nuchtere stem toespreken.


Zich haar toe-eigenen door de onzichtbare lijn. Steevast met de 4 woorden die op de ander de schrijver van deze pièce de résistance

het minst indruk hadden gemaakt. Ik wil je neuken.


Wat er zo speciaal aan hem was. Was zijn open tevens introspectieve blik. Die alles en iedereen voortdurend scheen te volgen.


De manier waarop hij opkeek en stoïcijns onverschrokken met bruingoud gespikkelde  pupillen elk detail stilzwijgend onder zijn dikke dubbelgestikte wimpers als een zware verentooi in zich opnam en in zijn datacentrum opsloeg.


Het was nacht en zij was alert en wakker.

Wanneer maak je haast?

Toon je dat competitie zomaar je middle name kan zijn.

Player versus player

in een mindgame je tegenstander pontificaal vermorzelen. Het spel verlangt de uitschakeling. Daar scoor je immers punten mee.


Stapelverliefd op een man die haar afwisselend maar al te goed en ook weer niet zag voor wie ze was en die in de verste verte nooit haar tegenstander was.


Hij constateerde vaker fronsend, ze wist het diep van binnen, dat van dat erg lijken op elkaar. Hun visie en gevoel voor belangrijke en minder belangrijke zaken.


Zijn ogen dwaalden steevast af naar het mooiste. Als een verwende kleuter in een speelgoedzaak die alleen maar de grootst glimmende trapauto wilde. Met priemend vingertje en hoog stemmetje "Ik wil die" wijzend.


Wat er achter die vier woorden " Ik wil je neuken" school.

Daarvan was zij zich gelijk bewust. Achter de schijnbare banaliteit en veronderstelde geilheid zat een complexiteit die grensde aan de ingenieuze wijze waarop Stephen Hawking na decennia van diepzinnig onderzoek tot zijn zwarte gatentheorie was gekomen.


Er was meer. Veel meer.

Het was de schreeuw van Edvard Münch die zegt  “De levensangst heeft me achtervolgd sinds ik voor het eerst begon te denken.”


Het was die schreeuw, zijn schreeuw nu vol aandachtzoekerij in de meest banale expliciete vorm om vervolgens te focussen en haar de duiden op een duizelingwekkend complex systeem van gedachtes, opinies en stellingen.

Analytisch drama in taal. Daarvan was ze getuige in zijn sporadische maar altijd rake gedichten


Münch schrijft over het ontstaan van zijn schreeuw het volgende:

“Op een avond wandelde ik langs een weg – aan de ene kant lag de stad, onder me lag het fjord. Ik voelde me moe en ziek – ik bleef staan uitkijken over het fjord. De zon ging onder – de wolken waren rood getint als met bloed.

Het kwam me voor alsof de hele natuur aan het schreeuwen was – het was net of ik een schreeuw kon horen. Ik schilderde dat doek, schilderde de wolken als echt bloed. De kleuren schreeuwden. Het resultaat was "De schreeuw".


Dit proces. De gang er naar toe maakt telkenmale grote indruk op mij als schrijver en  als kwetsbaar krachtig mens in de huidige epoc met extreme tegenstellingen.


Haar creaties vond hij als kenner van huis uit slechts magere aftreksels. Uit recente gesprekken en briefwisselingen die nog op haar netvlies staan, herinnert ze zich woorden als "Een tekort aan kennis en cultuur die nooit kan tippen aan de wereld van echte schrijvers."


Zo had hij blasé opzichtig de lucht en het plafond boven hem aanroepend, zijn afkeuring geuit. Anders had die ene blik wel volstaan, waarmee hij klankloos zijn punt maakte.


Zij had hem daarna met kapitalen in haar hoofd maar met rustige woorden in een klein aandachtig lettertype geantwoord.


Laat ik je dit vertellen. Elke schrijver of het nu "alledaags volkse" Vaandrager is. Zo volks en alledaags was V. helemaal niet. V. had gymnasium gedaan en in die tijd was dat helemaal niet zo gewoon. Hij zag poëzie in alles. Of Burroughs D. hertaalde hem. Of Ginsberg, Bukowski, A.F.Th. van der Heijden met zijn zwierig gelardeerde teksten waarbij haar ogen wegzwommen  blijvend ontroerd over een fraai jong begnadigd mens dat niet mocht uitbotten. Een net uitdijende tak vol durf in knop op een bizondere Pinksterdag weggerukt.


Ze smeet met nog wat namen die haar terloops te binnen schoten.

Hamerde bovenal op de essentie. De recent overleden Menno Wigman, Couperus wiens broer wegens geestesziekte werd opgenomen, James Joyce, Auden, Cummings, Jack Kerouac, de eigenzinnige beatnik reiziger die pijn verdreef met bijtende drank.

Jean-Louis Lebris de Kerouac die zij persoonlijk helemaal te gek vond. Alleen al zijn naam sprak enorm tot haar verbeelding.


Laten we wel wezen. Al die schrijvers groot, groter, grootst zijn ooit klein begonnen met een onontkomelijke letter. Vervolgens een onontkomelijk woord dat tot onvervalste taal  geboetseerd wordt. Verheven tot een gedicht. Een boek vol beeld- en stromende geluiddragers. Opgedragen aan en gedragen door het publiek.


Ze las nu Tonio. Zijn foto waar hij poseert als Oscar Wilde had ze langdurig bekeken. Nu lag het boek weer aan haar zij en keek hij, Totó was zijn koosnaam, haar nadenkend aan. Alsof hij herrees en vriendelijk doch beslist vroeg of het poseren zo lang genoeg geduurd had. Zich daarna beleefd excuserend.


Daarnaast las ze Frank Witzel. Hoe een manisch depressieve tiener in de zomer van 1969 de RAF bedacht. De passage waarin de moeder van de hoofdpersoon thuis bij het journaal kijken benieuwd vraagt. Had jij ook niet zo'n speciaal speelgoedpistool wat om een hoek kon schieten toont ons achteloos onze onmacht en schijnbare zin en onzin van de kracht van die realiteit. Het craquelé in de geblurde spiegel


Ze wist veel. Het was ergens waar ze er niet altijd bij kon. Ze schaamde zich niet voor het feit dat ze selfmade was. Zonder erudiete creatieve ouders en de meest schitterende literatuur om haar heen.


Hij paradeerde uitdagend voor haar met zijn nu slanke lichaam. Het maakte haar schuchter. Hij was te mooi om aan te raken. Ze stond voor de modern ogende glazen vitrine met daarvoor zelfs een bord NIET AANRAKEN in een oud statig museum vol plechtige geheimen dat boven alles rook naar hem.


Tijdens hun eerste samenzijn durfde ze amper na te denken.

Uit angst dat hij haar schuchterheid zou opmerken.


Deels lachend dan weer stoer had hij wat foto's van zichzelf laten nemen. Alléén je gezicht. Verzekerde ze hem. De rest vormt geen enkel probleem!!! Verzekerde hij haar weer op zijn beurt.


Terwijl ze haar ogen waar bewondering in gloeide nu direct op zijn gave gelaat kon focussen, schudde hij met gebogen hoofd transpirerend en handenwroetend zijn haren. Zo zijn eigen ravissante stijl creërend.


Umwerfend nam hij haar in zijn tengere armen. Voelde ze exact elke beweging die alleen voor haar bedoeld was. Lust werd al snel diep verlangen naar elkaars diep tedere geheimen in aanraking en wild passioneel spel.


De dag dat ze samen naar het strand waren geweest. Die dag beende hij plots met grote stappen richting de eindeloos lijkende gladde wateroppervlakte om een innemende oude  eenvoudige vriend  te begroeten die uit het niets opdook. Terwijl beiden buiten gehoorafstand hun kennismaking vernieuwden. Had zij op een afstand ongezien zijn naam met een stuk aangespoeld wrakhout voor eeuwig in het zand gegraveerd. Pas later had hij hun aan elkaar voorgesteld.


Fausto evenals de zee hadden hun daarna, terwijl de zon met hun meereisde uitvoerig nagestaard. Daarna lieten overgebleven bramen zich in de luwte gewillig plukken.  Paarsblauwe vingers en monden deelden over en weer.


Bij elke helling en bocht kroop ze in zijn armen die haar riepen. Ze zoenden innig. Hij boog zich diep beschermend over haar heen. Zijn grote zware bril als twee obscene vergrootglazen boven haar. Op haar tenen reikte zij hem haar getuite mond.


De laatste foto die namiddag met de lome schapen onder de wijd uitwaaierende boom had ze genomen van een vrij steile helling. Een

door mensen opgeworpen beschutting die wind wegjoeg en warmte verwelkomde.


Bij terugkeer bij haar auto wilde ze hem vragen ergens iets te gaan drinken. Toen ze aankwamen en letterlijk bijna de zee inreden, de motorkap wees nu demonstratief die rimpelloze spiegelende vlakte aan, had hij gewag gemaakt van een bistro of restaurant vlakbij.


Ze had rondgetuurd door plots verwaaiende haren. Echter niets als zodanig opgemerkt. Geen schoorsteen of penetrante patatlucht. Geen vage kinderstemmen die erop duiden dat ze uitgelaten  na een lange zit binnen met pannekoeken en ijs naar buiten mochten.


Ze wilde ook niet te mondaine of voor de hand liggend lijken. Gewoon zichzelf. Ze zwegen terwijl ze de auto op knerpend zand keerde. Zijn

gezicht was uitermate kalm en een beetje rozig.



Weten wat er geblurred moet worden


Die dag al had hij frappant gevloekt om de vele boodschappen en te weinig tassen. Eerst lachte ze het weg deze tijdelijke zinsbegoocheling. Er kon immers heerlijk gekookt worden.


De anti climax aan het eind van die betoverend mooie dag toonde zich als verradelijk onweer.


Ze weifelde. Verdomd grenzen aangeven werd haar gevraagd. Hij tartte haar en poogde nu al zijn piketpalen in haar kamp te slaan.

Ze had het kunnen weten. Ze aarzelde ruzie was ongemakkelijk. Als te lief en gemakkelijk, zonder mening doorgaan was haar gevoel van onrecht dat ze nu voelde te na.


Ze stond op het punt te gaan. Hem te laten. Bemerkte de omslag in zijn hele getormenteerde wezen. De glinsterende regen nu en dan hagel die zijn blik als een troosteloze herfstbui veranderde.


Alle kwaadheid smolt in hem en hij was plots vloeibaar als was. Kwetsbaar ontgoocheld bleef hij veranderen tot hij tenslotte diep geraakt daarna afwisselend verongelijkt pruilend en zwaar terneergeslagen eindigde.


Dit was zijn ultieme angst. Aansturen op hem verlaten. Logischerwijs zou ze echt eieren voor haar geld kiezen en de daad bij het woord voegen.


Ondanks de helse aardverschuiving troostte ze de ontroostbare met begrip en liefde, die veel later toen ze zijn ziel had doorwroet  exponentieel gegroeid bleek te zijn, terwijl ze zelf smachtte om een opbeurend en vooral geruststellend gebaar.



Een jaar in scherven in privé domeinen.


Het minuscule zaadje van verwijdering was bij hem reeds ontkiemd. Zijn duw ieder mens weg DIM(W) game beheerste hij met verve.

Hoe snel moet de spiegel trillen om het beeld wazig te maken.

Totdat hij uiteindelijk barst in diegene die de splinters de snijdende scherven opvangt.


Hij zou zijn verliefdheid rigoureus parkeren in een diepe garage alwaar een orkaan zou zorgen dat zijn liefde en overgave voor haar voorgoed in de kluis van de kofferbak van de geparkeerde auto wegdreef. Ergens veel later onherkenbaar op de schroothoop met alle anderen zou belanden.


Die dag had hij haar nietsontziend kwellend genomen. Hard beukend bereden. Telkenmale verwonderd over haar zachtgladde lenige vrouwelijkheid. Haar heupen daarna als zichtbare handvaten.


Ze gaf geen krimp want ze wist dit moest hij doen. Zijn wezen gebood hem haar te overweldigen. Te tonen dat zij nu hier was. Zij met hem en hij haar niet althans voorlopig niet liet gaan. Hij was de baas over alles wat bewoog en waarnaar beiden ook zij verlangden.


Maanden eerder


Vóór die eerste echte rood wolkende liefdevolle ontmoeting had hij haar dag en nacht gebeld.

Als ze niet opnam of hem wegdrukte sprak hij wars van haar gebaar bars haar antwoordapparaat in. Neem op joh.


Prachtige blauwe gedichten voor haar geschreven. Die zij alleen begreep. Ze wist wat hij voor haar betekende. Ze vormden elkaars woordfotografen.


Daarvoor had hij een regenboog bekentenis de wereld van het internet ingeworpen die haar diep ontroerde. We hebben tijd genoeg

zei zij.


Het hangt af van de snelheid waarmee de hersenen de beelden verwerken


Hij liet het verdwijnen. Zo mooi als het had geblonken zo fantastisch snel herriep hij zijn lofzang.


Haar ratio zei dit doet hij vaker. Hij is impulsief. Zijn gevoel gaat met hem op de loop.


Trouwen dat wilde hij alleen met haar want zij was de liefste.

Ik ga voor je zorgen. Je liefhebben. Er voor je zijn. We worden samen oud. Had hij het eerst nog euforisch uitgeschreeuwd. Allengs bekroop de twijfel hem en werd hij voorzichtiger. Afstandelijker.


Nu zocht hij hot or not vruchtbare gronden om zijn sediment af te zetten.

Want vergankelijkheid laserde hij onverbiddelijk weg. Alleen mooi was niet goed genoeg. Vruchtbaar was het toverwoord.


Na een prachtige wals waarbij ze elkaar beurtelings diep in de ogen keken. Beurtelings over elkaar heen bogen. Dan weer zacht zoekend, lippen  vingertoppen aanrakend. Keek hij haar ernstig aan. Ik ga je pijn doen. Hou er rekening mee. Vroeg of laat ga ik je pijn doen.


Als een blond opperwezen zich aandient zeg ik geen nee. Ik weet dat ik je pijn ga doen. Het is slechts een kwestie van tijd.


Ze keek hem treurig aan.

Ik ben niet vanzelfsprekend . Evenmin als jij dat niet bent.

Ook ik kan andere keuzes maken.


Ik wil je wel blijven zien. Je bent mooi. Je bent lekker. Je bent ontzettend lief. Hij wachtte even en voegde  ontzettend slim toe.

Hij streek licht ijdel enigszins verstrooid verontschuldigend door zijn haar.


Haar pure gevoelens voor hem werden danig op de proef gesteld.

Ze wist dat er geen woord gelogen was. Hij had haar twintig jaar te laat ontmoet.

Hij meende oprecht wat hij zei. Hij vond haar lief interessant schattig en veel.


Ze was echter geen hinde. Geen jonge vrouw. Competitie kwam niet op in haar. Ze was goed genoeg zoals ze was. Haar hele wezen verlangde naar hem en dat toonde ze hem. Wat verlangde hij nog meer.


Gevoel gaat waar

de ratio er geen

vat op heeft.

Dat gold voor beiden


Weken later.


Ik ben enorm blij en dankbaar dat je mijn vriend - hij zei niet jouw of onze - zo gesteund hebt in zijn laatste periode voor zijn dood mompelde hij hees. Licht ontzet wegkijkend.


Haar brein zappte naar de loodzware periode. Het programma werd nooit gewist. Vergeten kwam niet in haar op. Ze dacht respectvol en plotse triestheid aan zijn strijd. Zijn idealen. Hoorde zijn zacht slepende stem. Zag zichzelf met hem uit de opgefriste ansichtkaart stappen. Hij liep nooit hand in hand om haar niet in verlegenheid te brengen.


Adri van der Heijden schrijft. De dood vervalst en ontwaardt elke herinnering. Ik vraag het me werkelijk af.


Het was een geschenk dat ze elkaar hadden leren kennen. Hij voelde haar aan in alles en ze wist dat ze samen zouden zijn gebleven. Zijn wereld zou

vol geurende bloesems zijn geweest met hem en met haar.


Nu vormde hij de lucht van diezelfde bloesems die ze elk voorjaar dieper inademde De warmte van de zon in haar gezicht. De aarde die ze betrad

en omwoelde.


Nooit zou zij meer wakker worden en zijn onderzoekende blik boven haar zien. De glimlach. Zijn gefluit als ze door de kamer liep.

De dood is onverbiddelijk.


Ze begreep zijn opmerking wel. Maar als je van iemand houdt is alles er.

Niets is teveel.


Hij was de enige niet die ze verloren had in haar kleurrijke leven. Ze gaf het maar toe. Het went nooit.


Bezorgd kijkende ogen in het lieve poezelige met drukke panterkleuren beprinte kopje. Onderdrukt gemiauw. Haar pootjes gaven haar warmte. Alsof ze haar wilde troosten.


Het kopje streelde en verdween gelukzalig in haar zachte schoot. Ze  bemerkte de het komt goed geste maar al te goed. Nam zacht, vrijwel geruisloos een soortement gedicht waar dat dit kleine wondertje als een cadeautje spinde.


Geheimzinnig glimlachte ze. Terwijl ze zich vooroverboog waaierden haar blonde haren schitterend als een opperwezen.


© KATTYA


Created by Kattya